
Pandhuiswet 1910
Artikel 37
1
Burgemeester en wethouders kunnen onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten bepalen:
a
eischen, waaraan localiteiten, waarin een bank van leening zal worden gehouden, moeten voldoen, alvorens de toelating, bedoeld in art. 13, kan worden verleend;
b
een model voor het register, bedoeld in art. 18;
c
een maximum van hetgeen ingevolge art. 35 gevorderd mag worden, met inachtneming van de in art. 35, derde lid, toegelaten onderscheidingen;
d
uren gedurende welke de banken van leening gesloten moeten zijn;
e
dat in de localiteiten of in het perceel, waarin een bank van leening gehouden wordt, zekere beroepen of bedrijven niet of niet zonder toestemming van Burgemeester en Wethouders uitgeoefend mogen worden of zekere bezigheden niet of niet zonder toestemming van Burgemeester en Wethouders mogen geschieden;
f
wat door den houder van een bank van leening moet worden gedaan ter wering van verspreiding van besmettelijke ziekten door panden.
2
Een besluit, vastgesteld ingevolge het vorige lid, wordt na de goedkeuring door Gedeputeerde Staten ter openbare kennis gebracht en aan de houders van banken van leening medegedeeld. De houders van banken van leening zijn van den tweeden dag af na den dag der mededeeling gehouden tot naleving van een besluit als bedoeld onder letter c en d van het vorige lid; tot naleving van een besluit, als bedoeld onder letter b, e en f zijn zij gehouden van den dertigsten dag af na den dag der mededeeling.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.